Geschiedenis/Gebouwen
/ Federatie/Vereniging
(terug naar de hoofdpagina)
De volgende onderwerpen komen hier aan bod:
|
¦ Korte geschiedenis van de Hofkerk(gebouw) |
| ¦ Toren |
| ¦ Keramiek in de Hofkerk Goor |
| ¦ Protestantisme (korte geschiedenis) |
De
bewaard gebleven grafkelder dateert van 1566.
De toegang vanuit de kerk wordt gevormd door een poort in een rijke
omlijsting van twee Ionische pilasters die een kroonlijst dragen met een
uitgebreid Latijns grafschrift van Unico Ripperda, het geheel bekroond door
een gebroken fronton met bazuinende engelfiguren en twee wapens, gedekt door
helmen en omgeven van lambrequins en vlaggetrofeeën. De Ripperda's –
eveneens trouwens de van Coeverden's die waren bijgezet in de in 1855
verloren gegane grafkelder van Stoevelaar – waren aanzienlijke adellijke
personen die op de kastelen Weldam respectievelijk Stoevelaar woonden en als
zogenoemde borgmannen van Goor eeuwen een belangrijk stempel hebben gedrukt
op zowel het stadsbestuur als het kerkelijk bestuur van Goor.
echter voor de kerk letterlijk en figuurlijk de grote
klap. Goor was namelijk in handen van de Spaanse overheersers, werd veroverd
door de Staatsen, maar ging twee weken later weer over naar de Spanjaarden.
Tijdens die gevechten werden de kerk en de toren fors beschadigd en het zou
tot 1604 duren voordat er weer
aan een summiere restauratie werd begonnen. Waarschijnlijk in
1640 heeft er een uitbreiding naar het oosten plaats gevonden. De
'aansluiting' is nog duidelijk te zien aan de linkerzijde van de preekstoel.
teert de huidige toren
waarschijnlijk uit ca.
1500. Hij is opgetrokken uit baksteen (formaat 27 - 30 - 14 - 7 cm) in
zgn. kruisverband, telt vier geledingen en wordt gedekt door een achtzijdig
ingesnoerde spits. Een spitsboog in de westgevel omvat de door een korfboog
gedekte ingang met een door een segmentboog gedekt bovenlicht. De tweede
geleding heeft aan elke zijde een dubbele rondboognis, de derde een
spitsboognis, de vierde aan elke zijde een oorspronkelijk driedelig, thans
grotendeels dichtgemetseld en van zijn harnas beroofd galmgat.
Het SoW-proces begint al
in 1959 met een voorstel een gezamenlijke kinderoppasdienst te organiseren.
Maar het ‘echte’ werk begint in 1962 met een contactavond tussen de
kerkenraden. Pas in 1980 volgt de eerste gezamenlijke vergadering, en
sindsdien worden steeds meer activiteiten gezamenlijk opgepakt. In 2003
volgt de federatie, en nu is het proces afgesloten met de vereniging
tot Protestantse gemeente Goor waarvan de acte is ondertekend op 20
juni 2007.
De heren Frits Schutte, notaris Adriaan Bracht en Joop Stam tijdens het
ondertekenen van de acte van vereniging op 20 juni 2007.
Federatie.
De zaterdag vóór Pinksteren 2003 wordt in een stijlvolle bijeenkomst in de
Gereformeerde Ontmoetingskerk de federatieovereenkomst ondertekend. Bij die
gelegenheid kiest Lucas Schoemakers, voorzitter van de hervormde kerkenraad,
psalm 127:
‘Als de
Heer het huis niet bouwt,
bouwen de mensen voor niets.
Als de Heer de stad niet
bewaakt,
Waakt de wachter voor niets’
Deze bijeenkomst is
tevens de laatste in de gereformeerde Ontmoetingskerk vanaf de volgende (pinkster)morgen
kerken we in de Hofkerk.
(De Hofkerk zal in de komende jaren (2005)worden verbouwd.)
Ernst Ossewaarde,
voorzitter van de gereformeerde kerkenraad, staat stil bij dromen die geen
bedrog zijn, mits je er wat voor doet.
Het moet "de kerk van onze dromen worden", een gebouw dat past bij de visie
die de gefedereerde gemeente voor de toekomst heeft ontwikkeld.
De kerk van onze dromen ... biedt
veel ruimte voor persoonlijke geloofsbeleving, ... is een schuilplaats voor
kwetsbaren in onze samenleving, ... is een speelplaats voor onze jeugd, ...
respecteert andersdenkenden en anders gelovenden.
Nieuw interieur Hofkerk
De hervormde kerk in Goor is een rijksmonument en krijgt in 2003 van de
gefedereerde gemeente de naam Hofkerk. Intussen wordt goed nagedacht over
het interieur. De gemeente kan kiezen uit drie schetsen.

Het ontwerp van
Monumenten Adviesbureau Delfgou BV te Scherpenzeel wordt gekozen. In dit
ontwerp wordt het oude interieur met banken geheel gestript en vervolgens
rigoureus 180 graden gedraaid. Hierdoor worden de zichtlijnen op het nieuwe
liturgisch centrum sterk verbeterd en wordt de opstelling flexibel. De vloer
wordt voorzien van vloerverwarming en belegd met granieten tegels. Oude
zandstenen vloerdelen en grafelementen worden hergebruikt onder het
orgelbalkon. Stadelmaier BV te Nijmegen wordt gevraagd om een
interieurplan te ontwerpen. Dit resulteert in lichte en rustige kleuren en materialen,
waarbij verbinding is gezocht tussen nieuwe en authentieke
interieurelementen. Om eenheid in stijl te creëren, wordt gekozen voor
volledig nieuwe liturgische elementen en bijpassende stoelen in licht en
donker eiken.

Dit raam is in 1967 ontworpen en vervaardigd door
glazenier Alex Luigjes (Amersfoort) voor de toenmalige gereformeerde
Ontmoetingskerk. Het heet ‘Ontmoeting in beschermde ruimte’. Hij is
uitgegaan van de gedachte van de ontmoeting tussen mens en God en de mensen
onderling. Deze ontmoetingsgedachte ligt verankerd in Johannes 1: 45 – 52.
Hij bracht de figuur van Natanaël in een besloten ruimte onder de bladerbos
van de vijgenboom, als een bidcel. Zoals de ontmoetingsruimte van de Hofkerk
voor kleinschalige bijeenkomsten als vesper- en Taizé-vieringen in feite de
bidcel kan zijn van de verzamelde gemeente.
De figuren van Jezus en Filippus creëerde hij boven Natanaël als twee mensen
uit deze tijd, daarmee het geloof een plaats gevende in de tijd waarin wij
leven. Een ontmoeting in de beschermde ruimte. Hij schiep in zijn compositie
grote opwaartse lijnen, stroom en tegenstroom, en met daarin besloten vissen
symboliseerde hij de engelen van God opklimmend van en nederdalend naar de
Mensenzoon.
Als een alles dragend element plaatste glazenier Luigjes onder in het raam
het christelijke symbool van de vis: de Zoon, en opwaarts stijgend de vlam:
de Vader, en als een naar de hemel reikende afsluiting de vogel: de Heilige
Geest.
F. Schutte
Reactie gemeenteleden.
Ook in Goor is er de
nodige emotie over federatie, verkoop, verwijderen van de banken, nieuw
interieur. Een grote meerderheid schaart zich achter het gekozen beleid,
maar het proces kent helaas ook enkele afhakers. Zij zoeken hun heil elders,
of zijn zoekende. Toch zien we enkelen weer terugkeren en dat stemt ons
dankbaar.
Bij de meerderheid overheerst een gevoel van blijdschap over het gevolgde
proces, en vaak groot enthousiasme over het nieuwe interieur. Ook veel
ouderen geloven hun ogen niet als ze het nieuwe interieur voor het eerst
zien, en steken hun waardering niet onder stoelen ‘of banken’.
Toekomst.
We hebben ook een
ambitieuze missie geformuleerd: ‘De protestantse gemeente in Goor wil een
gemeente zijn die geïnspireerd wordt door het Woord en vandaar uit
doelgericht wil bouwen aan een groeiende geloofsgemeenschap die met respect
voor elkaar en elkaars geloofsbeleving de ontmoeting met God en met elkaar
wil vieren en uitdragen in de samenleving.’ We geven deze missie vorm in
vijf visie-elementen: pluriformiteit, groei, ontmoeting, jongeren en
geloofsbeleving. Deze worden ingevuld door de werkgroepen, met meepraten en
meedenken in gemeenteavonden. Wij hopen en bidden dat – levend in de
verwondering – de droom, uitgesproken bij de federatie, zal uitkomen in een
bloeiende gemeente.
Frits Schutte –
voorzitter kerkenraad Hofgemeente
Ernst Ossewaarde – voorzitter werkgroep Hofkerk.
Interieurplan – fa. Stadelmaier
De sfeer in het gebouw is er één van licht en rust. Een
verdere uniformering van de vaste elementen in de kerk zal deze sfeer
versterken en zal de heldere vorm ervan nog meer ruimte bieden. Door de
verplaatsing van het liturgisch centrum naar het koor tegenover de
preekstoel en dit te verhogen met twee treden (40 cm) ontstaan een beter
focuspunt en beter zicht.


Tevens bevordert de communicatie met de kerkgangers doordat 30% van de
aanwezigen binnen een straal van 7 meter van de avondmaaltafel zullen
zitten. De breedte van deze ruimte houdt haar goed toegankelijk. Door in het
interieur te kiezen voor elementaire vormentaal komen de aspecten van zowel
de authentieke setting als het eigentijdse gebruik het sterkst tot hun
recht. Dit alles legt het accent op de handelingen die plaatshebben en in
veel mindere mate op de objecten.
Het algehele kleur- en materiaalbeeld is licht en rustig, met accenten die
een verbinding vormen tussen het nieuwe en het authentieke interieur.
- Wanden en plafond zijn geschilderd in een eischaal tint, die is doorgetrokken op het balkon bij het nieuwe liturgisch centrum. Op deze plaats blijven echter de gouddetails gehandhaafd. Deze lichte aanblik versterkt rust en sereniteit.
-
Transparante elementen in gezandstraald glas of lexan zijn
toegevoegd. Deze elementen vergroten de sereniteit en vormen tegelijkertijd
een verbintenis met het keramiek van het doopvont.

- Licht eiken en eikenfineer vormen de basis voor de meubelen, wat correspondeert met het hout van het orgel. De lichte kleur van het hout maakt dat de meubelen in de ruimte niet te zwaar worden, al zijn ze massief.
- Donker eiken vormt een aanvulling op het lichte eiken en slaat een brug naar het hout van deuren, het antieke hekwerk en de kansel. De deuren worden in aanblik geüniformeerd.
- Accenten in messing, gecoat of gepatineerd, versterken het eigentijdse van de meubelen, zonder deze te tijdsbepalend te maken. De tint correspondeert met de aanwezige gouden elementen.
- Grijsgroene en geoxideerde tinten zijn toegevoegd aan het gehele beeld in de vorm van de drie reeds aanwezige keramische stukken.
- De lichtgrijs natuurstenen vloer die niet te glad is, zal de serene sfeer verder versterken. Deze vloer is in zogeheten halfwild verband gelegd, zodat ook de combinatie met de te hergebruiken oude stenen, geconcentreerd onder het orgel, eenvoudiger is. Bovendien behoeft de ruimte geen strakke vloerlijnen, aangezien de indeling en grondvormen al helder genoeg zijn.
Om de symmetrie verder uit te buiten is het hekwerk links van het podium geplaatst. Hiermee is feitelijk de muur van de rechterzijde ook links doorgetrokken. Zo ontstaat een opbergruimte achter het hek en verbetert de blik op de graftombe. Aan die achterzijde zijn panelen gehangen van fiberdoek, die de openingen afdichten. Deze panelen zijn lichtgewicht, vlamwerend en verschuifbaar. Ook kan hier lexan of glas worden gebruikt. Het hekwerk zelf behoudt zijn oorspronkelijke donkereiken kleur.
Aan de andere zijde van het liturgisch centrum zijn aan de rechterwand de panelen met het evangelie van Lucas aangebracht. Het ritme dat daardoor ontstaat, suggereert een nog grotere symmetrie.
Aan weerszijden van het orgel bevindt zich nog een deel geschilderde balustrade. De trap is vernieuwd als wenteltrap en bij de rechter pilaar geplaatst. De balustrade komt hiermee links te vervallen, wat het gevoel van evenwicht zal herstellen. Aangezien de balustrade aan de rechterzijde niet in het zicht is, wordt deze in de kleur van de wand geschilderd met behoud van de goudaccenten.
Het liturgisch centrum vertoont een eenheid in concept. Door alle liturgische functies te ondersteunen met een eigen meubel is één grote tafel, waaraan de meeste handelingen plaatshebben niet langer gewenst. De verschillende meubelen zijn op en voor het ruime podium zo opgesteld dat zij alle goed zicht bieden op de handelingen, zonder te verdrinken in de ruimte. Gezien de riante maat van het liturgisch centrum zijn de meubelen grotendeels massiever in opzet. Een te open constructie zou de objecten te iel maken en daarmee zouden zij verdwijnen in de ruimte. Door een verfijnde detaillering, zoals nerfkeuze, en 3D-effecten in de meubels wordt er eveneens voorkomen dat er een soort blokvorming ontstaat.
Door de plaatsing van het doopvont vóór en de paaskandelaar op de trap is een directe verbinding aangebracht tussen de gemeente en de voorganger en wordt de betrokkenheid van de aanwezigen bij de dienst vergroot. De meubelen hebben een oplopende maatvoering vanaf de vloer van de kerkzaal. De kandelaar kan op de trap worden verschoven en zo op de gewenst plek worden gezet.
De meest centrale plekken op het podium zijn voorbehouden aan de liturgische tafel en het spreekgestoelte. Zij worden omlijst met een lezenaar, twee piëdestals voor bloemen, die tevens ruimte bieden voor kleine kaarsen, een console voor het liturgisch object en een console voor de oude bijbel; beide rechts en links achterin het liturgisch centrum geplaatst. De reiking naar de hemel, zoals verbeeld in het object, wordt daarmee verder versterkt.
De meubelen zijn alle rechthoekig en tonen tevens een trapeziumvorm. De elementen staan alle op een terugvallend voetstuk, waardoor zij enigszins gaan zweven. Dit voetstuk is gelamineerd met messing, waardoor een weerschijn van vloer naar meubel en vice versa ontstaat. Het geheel is uitgevoerd in licht eikenfineer en de zijkanten zijn donker gebeitst. De avondmaaltafel heeft een bovenblad in drie delen, een indeling die bij meerdere objecten is terug te vinden. De kandelaar is boven recht en heeft zijn trapezium aan de onderzijde, op de trap. Alle meubelen zijn met de hand of een steekwagentje via een mobiele hellingbaan te verplaatsen, met uitzondering van de paaskandelaar. Tevens bevindt zich bij de grote stukken aan de onderzijde een viltlaag die verschuiving over kleinere afstanden mogelijk maakt.
De kaars
verzinkt in de kandelaar. De kaars ondersteunt het elementaire karakter van
het gehele interieur doordat zij geen afbeeldingen heeft. De nadruk komt
daarmee op het licht, de vlam, te liggen en niet op het attribuut. De houder
biedt verdere ruimte aan kaarsen voor de kindernevendienst. Deze kaarsen
staan niet in kandelaars, maar in veilige, kleine windlichten.

In plaats van één grote knielbank, wat een obstakel zou worden, is gekozen voor twee stoelvormen die naast elkaar geplaatst zijn. Dit houdt de vormen zelf luchtiger en maakt verplaatsing aanzienlijk eenvoudiger.
De reeds aanwezige messing collecteschalen worden opnieuw ingezet. Deze fraaie schalen kunnen worden gerestaureerd en krijgen op deze wijze weer een goede plek in de gemeenschap.
Ook twee van de psalmenborden worden hergebruikt en krijgen een aanpassing in uitvoering. De bovenlijst is verwijderd en de regels voor de bordjes zijn aan de voorzijde glad. De borden worden ‘zwevend’ geplaatst aan weerszijden van het liturgisch centrum op de pilaster.
De dooprol wordt vervangen door een doopboek, dat desgewenst op een zichtbare plek in de ruimte geplaatst kan worden. Er is geen directe noodzaak dit boek op het liturgisch centrum te plaatsen.
Het kruis boven de toegangsdeur wordt in zijn huidige vorm gehandhaafd en ondergaat een kleuraanpassing. Het middendeel blijft blank en de buitendelen worden donker gebeitst.
De achterwand, onder het balkon, wordt aan
weerszijden zover doorgetrokken dat de deuren uit het zicht verdwijnen. Om
deze deuren zo onzichtbaar mogelijk te laten zijn, zijn zij tevens in de
kleur van de wanden geschilderd. De achterwand zelf biedt mogelijkheid voor
banieren in de liturgische kleuren. Deze kleuren kunnen zonder probleem
worden afgestemd op de kleuren van de huidige stola’s.
Er worden comfortabele
houten stoelen geplaatst, schakelbaar en voorzien van armleuningen en
elementen om bijbel en liedboek op neer te leggen of een tas op te hangen.
Een drietal van de oude houten banken krijgt een plaats langs de
zuidwand.
Voor de filtering van het zonlicht is een systeem gekozen waarbij het licht wel wordt gefilterd, zonder de ruimte te verduisteren.
Tevens kan op eenvoudige wijze een opstelling worden gemaakt voor kleine diensten, waarbij niet de gehele kerk ingezet hoeft te worden. In zo’n geval heeft alles plaats op het liturgisch centrum. Door de verplaatsbaarheid van de meubelen en de ruimte die het centrum biedt, kan hier in een dienst voor kleinere groepen gehouden worden.
Voor de Hofkerk is er een systeem ontwikkeld dat voldoet aan alle functie-eisen. Zowel gesproken woord als muziek, met verschillende microfoons en geluidsdragers, moet overal in de kerk goed verstaanbaar en hoorbaar zijn. Basis van het concept is dat geluid hoorbaar en niet zichtbaar moet zijn en dat het geluid uit de richting moet komen van de oorspong.
Er is een lichtplan ontwikkeld voor de complete aanlichting
van de Hofkerk.
Basis hiervoor zijn zowel het kerkelijke en monumentale karakter als de
geplande multifunctionaliteit.
Er is gekozen voor een (dimbare) koofverlichting rondom, gecombineerd met
drie van de vier oorspronkelijke kroonluchters. Deze laatste worden opnieuw
geverfd in een passende tint.
Het liturgisch centrum wordt compleet separaat aangelicht door een
praktische dimbare halogeen verlichting.
‘Doopkapel’ (A.C. van der Sluijs-Goud)
Bij de renovatie van het interieur in 2005 is een nieuwe vloer gelegd van zwart marmer. De doopvont, één van de nieuwe liturgische meubels met waterschaal en waterkan van keramiek, heeft een centrale plaats vóóraan in de kerk, in het midden van de gemeente aan de voet van de twee treden, die naar het liturgisch centrum in de noordbeuk leiden.
De doopvont staat in/op het symbolische baptisterium, de achthoekige doopkapel in de vorm van een achthoekige ster in de zwart marmeren vloer. Deze achthoekige ster verwijst naar de baptisteria die door de basiliekbouwers van de vroegchristelijke Byzantijnse kerken gebouwd zijn (5e eeuw). Het baptisterium is een achthoekige doopkapel met een verzonken doopbassin, meestal in kruisvorm. De dopeling ging dan dóór het water om óp te staan tot een nieuw leven. Het getal acht is in Bijbelse taal het symbool voor dit ópstaan tot een nieuw leven, een leven met God. Acht = zeven plus één: 7 het getal van de dagen der schepping, de aardse volheid; 7 + 1, acht is het getal van de hemel; acht brengt ons bij wat de menselijke, de aardse maat te boven gaat. God is in het spel.
Lucas 2: 21 “En toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus”.
Bij de ruïnes van basilieken in o.a. Carthago (in het huidige Tunesië), in Turkije (Efeze) en in Syrië (N.O., de basiliek van Simon de pilaarheilige) zijn nog restanten te bewonderen van deze achthoekige doopkapellen met verzonken, kruisvormige doopbassins.
De keramische objecten in de Hofkerk vormen
een wezenlijk onderdeel van het liturgisch centrum. Het gaat om de volgende
stukken:
-Doopstel
-Liturgisch object
-Kaarshouders
-Avondmaalsopject
Alle keramische objecten zijn
ontworpen en gemaakt door keramiste
Fija Ossewaarde, wonend en werkend in Diepenheim, tevens lid van de
Protestantse gemeente Goor.

Doopwaterkan
De doopwaterkan is in 1997 in opdracht van een gemeentelid ontworpen en geschonken aan de toenmalige Gereformeerde Kerk. Vorm, decoraties en kleurgebruik verwijzen naar verschillende doopthema's zoals: stromend water, water uit de rots toen Mozes er op sloeg, en vooral ook de beweging van levend water uit de hoogte (God) naar beneden, richting mensheid.
Doopschaal
Deze is gemaakt in opdracht
van de liturgiecommissie als completering van het doopstel, in stijl
vergelijkbaar met de doopkan. De decoratie in de schaal symboliseert het pad
door de Schelfzee, dit als verwijzing naar ‘bevrijding’ als wezenlijk thema van
de doop.
Liturgisch object
In 1999 ontworpen en gemaakt
naar een conceptueel idee van ds. Freek Schipper en eveneens gefinancierd met
een gift uit de gemeente. In samenspraak met ds. Schipper en de
liturgiecommissie heeft Fija een tweedelig object ontworpen. Het hoge deel
verwijst naar God, waarbij de dalende lijn symboliseert dat God naar de
mensen toekomt. De decoraties verwijzen naar ‘het levende water’. Het lage
deel verbeeldt de mensheid, waarbij de pluriformiteit van de samenleving
wordt gesymboliseerd in de gelaagdheid van de randen. De ruwheid geeft iets weer
van de weerbarstigheid van het leven, bijvoorbeeld als gevolg van verdriet, pijn
e.d.. De opgaande lijn symboliseert het zoeken naar zingeving en spiritualiteit,
alsmede de verbondenheid met God. Verder valt op dat de twee objecten aan de
voet min of meer in elkaar grijpen, of meer symbolisch: ‘God laat niet varen
het werk van zijn hand’.

Het object kan zowel passief als actief worden toegepast in de liturgie. Door het plaatsen van kaarsen achter het object ontstaat een extra dimensie. Het licht kan worden ontstoken, gedoofd of zelfs achter het object verdwijnen. Er kan gebruik worden gemaakt van een grote kaars achter het ‘hoge deel – Godsbeeld’ en meerdere kleine kaarsen achter het lage deel. Het abstracte en variabele karakter van het object geeft de kijker ruimte om eigen associaties (zowel Bijbelse als niet-Bijbelse) met de vormen en het lijnenspel te hebben. Het object kan in steeds wisselende opstelling worden geplaatst en zou ook bij uitvaarten goed kunnen worden toegepast.
Symbolisch avondmaalstel
In 2007 ontworpen en vervaardigd, aansluitend bij de reeds aanwezige keramische
objecten in de Hofkerk. Na de herinrichting van de Hofkerk is geconstateerd dat
een permanente verwijzing naar het Heilig Avondmaal in het Hofkerkinterieur
ontbreekt, omdat het ‘historische avondmaalstel’ zich niet leent voor permanente
plaatsing in het kerkinterieur.
In vorm en opbouw van het
keramische object wordt verwezen naar de symboliek van het Heilig Avondmaal in
de volgende elementen:

-
schaal voor
‘levend brood’ en beker voor ‘het bloed van Christus’ zijn herkenbaar in het
object aanwezig;
-
de breuklijnen en
de vormonderbrekingen verbeelden ‘gebroken brood’ en ‘een gebroken leven’;
-
schaal en beker
als afzonderlijke delen vormen in dit object één geheel en symboliseren zo
‘heelheid’;
-
contrasten tussen
licht en donker in de kleurstelling verwijzen naar de viering zelf waarbij het
donker wordt doorbroken door het licht van de “wederopstanding”.
Naast deze ‘verwijzingen’ is er ruimte voor ‘andere interpretaties’.
Kaarshouders kindernevendienst

Naast de grote ‘Paaskaars’ staan twee kleine kaarsen in keramische houders. Het
is gebruikelijk dat kinderen hun eigen ‘'kindernevendienst’ vieren. Zij gaan
tijdens de dienst de kerk uit. Elke groep kinderen neemt een kaars mee, die
wordt aangestoken aan de Paaskaars. Dit ‘licht’ symboliseert verbondenheid met
de gemeente en komt ook voor het einde van de dienst weer met de kinderen terug
in de kerk. De vorm van de kaarshouders associeert aan het liturgisch object en
is tevens zodanig ontworpen dat de kaars niet uitwaait tijdens het lopen.
Andere toepassingen
De objecten hebben naast het ‘liturgische en sacramentele’ doel ook een gebruiksfunctie. Desgewenst krijgen de objecten een andere plaats en toepassing in de kerk. Toepassing als autonoom kunstwerk of als basis voor (liturgisch) bloemschikken behoren zo onder andere tot de mogelijkheden.
Materialen
Alle objecten zijn uitgevoerd in keramiek (grove chamotte), ingewassen met verschillende oxiden en pigmenten en afgewerkt met een transparant glazuur (halfmat). Het werk is gestookt op ca. 1200 oC met ‘steengoed’ keramiek als eindresultaat.
Het symbolisch avondmaalsstel is opgebouwd in de zogenaamde platentechniek, waarbij de vormen worden opgebouwd uit platen halfdroge kleimassa, die met ‘slib’ met elkaar worden verbonden. De gebruikte klei bevat veel chamotte (gemalen keramisch materiaal), wat een grotere sterkte aan het object geeft. Ook kan hiermee structuur worden aangebracht op het oppervlak (de huid) door schrapen e.d. Na de zgn. biscuitstook (zonder glazuur) op ca. 1000 ºC is het object eerst ingewassen met oxide en vervolgens gespoten met een mattransparant glazuur. Tot slot wordt het object nog een keer gestookt in de “glazuurbrand”, waarbij de oven in tenminste 10 uur wordt opgestookt tot steengoedtemperatuur (ca. 1200 ºC).