Het vertaalteam: Pieter Oussoren, vertaler; Albert
Ronhaar, redacteur; Jan de Vlieger, uitgever.
Karikaturaal zijn de preekwoorden van de voorganger die
zegt: we hebben in de schriftlezing net gelezen ‘zus en
zo’, maar eigenlijk staat er ‘dit en dat’. Dit is een
van de redenen geweest om een nieuwe bijbelvertaling uit
te geven. Want een complete vertaling als déze, namelijk
nog ‘letterlijker’ dan de Statenvertaling van 1637, was
er nog niet, ook al zijn er wel aanzetten daartoe door
de Societas Hebraica Amstelodamensis, Huub Oosterhuis &
Alex van Heusden, Albert Koster en de Dirk
Monshouwerstichting.
Er zijn vele manieren van vertalen mogelijk, náást elkaar, zonder dat het hoeft te gaan over goed en niet-goed: wetenschappelijk-verklarend of in spreektaal uitleggend; streng in het ritme en de woordvolgorde van het origineel of vrij en speels-poëtisch hertaald; strikt in de ‘beelden’ van de grondtekst of vrij in eigentijdse termen.
Als we de nu in Nederland meest gebruikte vertalingen overzien, dan horen de Statenvertaling en NBG 1951 tot de preciezen, mogen de Groot Nieuwsbijbel en Het Boek tot de rekkelijken worden gerekend en delen de Willibrordbijbel en de Nieuwe Bijbelvertaling een plek in het midden. Bij deze zes vertalingen, ieder met hun eigen functie, bieden wij nu een zevende aan,- in de hoop dat er méér volgen, zoals de Duitse en Engelse taalgebieden veel meer bijbelvertalingen kennen en gebruiken. De rijkdom van een heilig boek (en ook van onheilige boeken) is nooit in één en zelfs niet in zeven vertalingen volledig weergegeven.





